Telefonisch reserveren?

013 744 02 13

ma - vr: 9.00 - 17.30u zaterdag: 10.00 – 14.00u

U bevindt zich hier: Home » Achtergronden » Politiek
gastronomie denemarken

Politiek

Het Koninkrijk Denemarken dateert uit het jaar 930 en is daarmee de oudste monarchie ter wereld. In 1849 kwam de eerste grondwet tot stand en werd Denemarken een parlementaire monarchie. Bij de grondwetswijziging van 1953 werd bepaald dat voor troonopvolging ook de vrouwelijke lijn in aanmerking kon komen. Hierdoor werd het mogelijk dat koning Frederik IX in 1972 werd opgevolgd door zijn oudste dochter, Margrethe II, de huidige koningin.


Parlement

Bij de grondwetswijziging van 1953 werd ook bepaald dat het Deense parlement, de Folketing, voortaan nog maar uit een Kamer zou bestaan, die 179 leden telt. Naast de 175 ‘Deense’ leden zijn in de Folketing vier zetels gereserveerd voor afgevaardigden uit de autonome gebieden Groenland en de Faeröer. Bij de verkiezingen, die om de vier jaar worden gehouden, gaat men uit van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Elke Deense staatsburger boven de achttien jaar heeft stemrecht. Het Deense bestuurlijke systeem kent de mogelijkheid tot het houden van referenda.


Huidige regering

Door een royale zege bij parlementsverkiezingen van 8 februari 2005 kan de Deense premier Anders Fogh Rasmussen met een flinke steun van het kiesvolk een tweede termijn ingaan. De regeringspartijen van liberalen en conservatieven en de populistische Deense Volkspartij, die de coalitie steunt, krijgen volgens de laatste stembusuitslagen 96 van de 179 zetels. Daarmee geven de Denen aan dat zij vierkant achter het regeringsbeleid staan dat immigratie aan banden legt en belastingverhoging wil tegengaan. De oppositiepartijen, geleid door de sociaal-democraten, kwamen samen uit op 79 zetels. De resterende zetels worden gelijkelijk verdeeld tussen de semi-onafhankelijke Faeröer en Groenland. De uitslag betekent voor de socialisten, die tot 2001 traditioneel aan de macht waren in Denemarken, een historische nederlaag. De socialistische voorman en oppositieleider Mogens Lykketoft maakte bekend dat hij zou aftreden. De zich sterk herstellende economie geeft de regering een steuntje in de rug. Er is een economische groei voorspeld van 2,4 procent. De werkloosheid stijgt daarentegen geleidelijk. Het werkloosheidspercentage bedraagt 6,2 procent.


Gemeenten en provincies

Denemarken heeft 275 gemeenten (primær kommune), verdeeld over veertien provincies (amtskommune). Tijdens lokale verkiezingen, die ook om de vier jaar worden gehouden, worden de gemeenteraadsleden en de leden van de Provinciale Staten rechtstreeks gekozen. De gemeenteraadsleden kiezen daarna een burgemeester en de voorzitters voor de diverse raden en gemeentelijke instellingen. In Denemarken fungeert een gemeente onder meer als ontvanger van sommige belastingen, financiert sociale uitgaven en beheert onder andere scholen, bibliotheken en rusthuizen. De gemeente is tevens de autoriteit die vergunningen verleent, zoals bouw- en vestigingsvergunningen. Bestuurlijke aangelegenheden die zowel geografisch als inhoudelijk een breder gebied bestrijken, worden door de Provinciale Staten ter hand genomen.


Publieke sector

Dat de betekenis van de publieke sector in Denemarken groot is, blijkt onder andere uit het gegeven dat de sector voor eenderde bijdraagt aan de werkgelegenheid. Bij de centrale overheid is bijna 20 procent van het in de publieke sector aanwezige personeelsbestand werkzaam. De gemeentelijke overheden (kommuner), die onder meer de verantwoordelijkheid dragen voor scholen en sociale zorg, bieden aan bijna 50 procent van het personeel in deze sector werk. Voor de provincies (amtskommuner), van wie de belangrijkste taak de primaire gezondheidszorg is, is dat 20 procent. Ruim 10 procent van het overheidspersoneel is bij de staatsbedrijven werkzaam.


Politieke partijen

Sinds 1915 beheersen de 'oude' partijen het politieke toneel: sociaal-democraten, links-liberalen, rechts-liberalen en conservatieven. Het viertal werd in 1959 uitgebreid met een vijfde partij: de socialistische volkspartij. Socialdemokratiet werd in 1871 opgericht en steunde op de arbeidersbeweging. De eerste vertegenwoordiger kwam in 1884 in de Folketing; de eerste sociaal-democratische regering werd in 1924 onder leiding van Th. Stauning gevormd. De partij heeft tot 1982, enkele korte perioden uitgezonderd, deel uitgemaakt van hetzij een minderheids-, hetzij een meerderheidsregering. In 1992 kwam het tot een koerswijziging, toen de partij ondanks een grote verkiezingsoverwinning in 1990 niet in staat was gebleken een regering te vormen. De vakbondseconoom Poul Nyrup Rasmussen werd gekozen tot partijleider. Det Konservative Folkeparti werd 1916 opgericht als voortzetting van de conservatieve Hrjre Partiet (Rechtse Partij) uit 1870. De partij vindt haar steun bij ambtenaren, burgerij en ondernemers. De rechts-liberale partij Venstre werd in het zelfde jaar opgericht als tegenstander van Hojre en vertegenwoordigde de boerenstand. In 1905 splitste een groep progressievere leden zich onder de naam Det Radikale Venstre van de liberale partij af.

De Deense Communistische Partij (DKP) werd in 1919 opgericht. In 1932 werden twee afgevaardigden in het parlement gekozen. In 1941 werd de partij door de Duitsers verboden, maar partijleden speelden een belangrijke rol in het Deense verzet tegen de Duitsers. In 1945 keerde de DKP met achttien afgevaardigden in de Folketing terug. Door de koude oorlog, de destalinisatie en de afsplitsing van de anti-stalinistische vleugel, Socialistisk Folkeparti (socialistische volkspartij), in 1958 kalfde de aanhang steeds verder af. In 1989 ging de DKP op in de nieuwe milieupartij De Rod/Gronne.

Bij de verkiezingen in 1966 behaalden de sociaal-democraten en de socialistische volkspartij de meerderheid, maar tot een historische linkse coalitie kwam het niet. Zeven jaar later verloren de oude partijen, die tot dan toe altijd 90-95% van de stemmen kregen, bijna de helft van hun kiezers aan nieuwe partijen. Deze partijen waren de conservatieve Kristeligt Folkeparti (1970), de rechtse Centrum-Demokraterne (1973) en de anti-belastingpartij Fremskridtsparti (1972). Er kwam een rechts-liberaal minderheidskabinet onder leiding van Poul Hartling. In 1975 keerden de sociaal-democraten onder Anker Jorgensen terug, korte tijd samen met rechts-liberalen. In 1982 maakten de sociaal-democraten plaats voor een rechtse minderheidscoalitie van conservatieven, liberalen, centrum- en christen-democraten onder leiding van Poul Schlüter. Na zes jaar werden de laatste twee partijen verruild voor de links-liberalen, die echter in 1990 afhaakten. Het plotselinge aftreden van Schlüter in 1993 als gevolg van de Tamil-affaire maakte de weg vrij voor een centrum-linkse meerderheidsregering van sociaal-democraten, links-liberalen en centrum- en christen-democraten onder leiding van Poul Nyrup Rasmussen. Na 1994 werd de coalitie zonder de christen¬democraten voortgezet.

Bij de verkiezingen op 11 maart 1998 verloren de conservatieven en de Fremskridtsparti aanzienlijk.

De nieuwe rechts-nationalistische Deense volkspartij kwam met dertien zetels in het parlement. De sociaal-democraten en sociaal-liberalen vormden een regering onder leiding van Rasmussen.

Opmerkelijk zijn de partijen die tegen de Europese Unie zijn. Junibevaegelsen mod Unionen (Juni beweging, een federatie van verschillende anti-Europese groepen) en Folkebevaegelsen mod EU (Volksbeweging tegen de EU) behaalden bij de Europese verkiezingen in 1999 tezamen vier zetels. (Bron: evd.nl)

Klik hier om terug te gaan naar Achtergronden»